NIET
TE LANGZAAM, NIET TE SNEL.
Stationair
afstellen met overleg.
"Je moet de slagen kunnen tellen". Voor vele berijders van
klassieke motoren is dat het criterium voor een goede stationaire
loop en zolang dat ideaal niet bereikt is, blijft men onverdroten
draaien en zich blindstaren op die twee boutjes van de carburateur,
de luchtstelschroef en de aanslagbout van de gasschuif. Want die moeten
het tenslotte doen!
Toegegeven de zaak wordt hier wel een tikkeltje eenzijdig voorgesteld
en natuurlijk weet ik heel goed dat lang niet alle motorrijders zo
te werk gaan maar een feit is, dat heel vaak verzuimd wordt de gedachten
eens wat verder te laten gaan dan alleen naar die twee boutjes, waarmee,
normaal gesproken, inderdaad de stationaire loop van een motor af
te stellen moet zijn, mits - en daar ligt de kern van de zaak- er
geen andere factoren zijn, die roet in de afstelsoep gooien.
Voorwaarden voor een juiste manier van werken zijn een warme motor
plus een redelijke dosis geduld.
Begonnen moet worden met de stelschroef van de gaskabel een flink
stuk in te draaien zodat de gasschuif geheel tot onderin de mengkamer
kan zakken en daarin niet door de kabel belemmerd wordt. Met behulp
van de aanslagbout van de schuif wordt nu getracht een redelijk langzame
stationaire loop te krijgen, waarna de luchtschroef voorlopig even
helemaal ingedraaid wordt.
Je zult merken dat de motor zwaarder gaat lopen omdat hij een te rijk
mengsel krijgt. Door nu diezelfde luchtregelschroef weer uit te draaien
kun je het stationaire toerental verhogen, totdat de motor weer langzamer
begint te lopen en neiging tot over- en zelfs afslaan gaat vertonen,
hetgeen betekent dat je de optimale stand voorbij bent. De optimale
stand is die, waarbij de motor het snelst draait.
Dat zal voor het begrip stationair draaien waarschijnlijk te snel
zijn maar dit kan door uitdraaien van de aanslagbout van de gasschuif
weer gecorrigeerd worden. Daarna moet echter de hiervoor beschreven
procedure met de luchtregelschroef herhaald worden en het is zeker
niet uitgesloten dat daarna opnieuw een correctie met de aanslagbout
noodzakelijk is. Met andere woorden, de twee boutjes moeten beurtelings
onder handen genomen worden, net zo lang tot een acceptabele stationaire
loop is verkregen en daarbij tevens een goede mengselsamenstelling
in dat gebied.

Als het met de boutjes niet lukt
.
In dat geval is er goede reden om op zoek te gaan naar een luchtlek,
waarbij nogal wat wegen openstaan.
Om te beginnen is er de gasschuif, die misschien wat erg ruim in de
mengselkamer zit; tenzij ook deze kamer sterk is uitgesleten, kan
men als regel met een nieuwe schuif volstaan. Een punt dat eveneens
de carburateur betreft, is de aansluiting hiervan , waar de kans op
aanzuiging van valse lucht vrij groot is, bijvoorbeeld als gevolg
van een lichtelijk kromme flens of een niet geheel luchtdichte ringverbinding..
Bij een viertakt hoeft men natuurlijk niet op een mooie stationaire
loop te rekenen als de kleppen in slechte conditie verkeren of als
de klepspeling onjuist is afgesteld.. Hetzelfde geldt voor een tweetakt
waarvan de krukasdichtingen niet meer honderd procent zijn..
Zelfs een lekke koppakking of een lekkage bij de bougie kunnen de
stationaire afstelling danig in de war sturen evenals het ontstekingssysteem.
Het is goed zich deze mogelijkheden te realiseren wanneer de "boutjesprocedure"
ondanks alle zorg hieraan besteed, geen bevredigend resultaat oplevert.
Bron: Motor van 21 juni 1963.